Om 52.000 man uit hun huis te halen en op transport te zetten, heb je een hele organisatie nodig. De Duitsers hadden een hele goede organisatie, maar toch ging het transport op sommige momenten mis. Niet meer dan logisch met zulke grote getallen. Maar met een groot aantal slachtoffers als gevolg.
Een andere koers
Tienduizenden mannen zijn naar de Merwehaven gedirigeerd om daar in te schepen op de klaarliggende rijnaken. Politieman Lambertus Schuitman behoort echter tot een overgebleven groepje van 60 man. Voor hen wordt een tjalkje gevonden. De Tjalk wordt aan een lichter gehangen die door een sleepboot wordt gesleept. Om geen doelwit te zijn voor geallieerde vliegtuigen, wordt er ’s nachts gevaren. Gevaren wordt er over de Lek richting Vreeswijk-Vianen.
De werkelijke vaarroute is echter anders... Dit zou gewoon een vergissing kunnen zijn. Of dat de kapitein, speculerend op de onkunde van de Duitsers en in de bescherming van de duisternis, tracht via Gorinchem in bevrijd gebied te komen. s’ Morgens vroeg blijkt dat het konvooi via het Merwedekanaal is gevaren en de schepen worden ’s ochtends in Meerkerk afgemeerd. De mannen ondervinden geen hinder van de verkeerde vaarroute. Schuitman: “De bevolking van Meerkerk heeft alles in het werk gesteld om de gevorderde personen van het nodige te voorzien. Brood met kaas, worst en spek, een ongekende weelde in die dagen, werd aan allen uitgedeeld. Bussen warme melk en koffie werden eveneens aan boord gebracht de plaatselijke predikant voorzag allen van een briefkaart, waarmee een berichtje naar huis gezonden kon worden. Er werd zelfs zoveel foerage uitgedeeld, dat dagen daarna nog een restant van een en ander in ons bezit was.“[*] De Duitsers laten alles toe. Kleine groepjes mannen mogen zelfs om de beurt - onder bewaking- even de wal op.

Het Merwedekanaal bij Meerkerk. Collectie Streekarchief Alblasserwaard
Wanneer brugwachter Piet de Ruyter verzetsman Pieter Versluis vertelt dat in de schepen dik driehonderd, bij een razzia opgepakte Rotterdammers zitten, gaat hij met drie andere verzetsmannen (Arie van Beveren, Henk Besooijen en Jaap Wieringa) een bevrijdingsplan beramen. Ten slotte beslissen de mannen om een magnetische mijn (lempet) aan te brengen tegen het achterschip van de aak.
Rond 16:00 uur varen de mannen in een roeiboot, met boter en kaas als ruilmiddel voor tabak, langs de schepen. De mannen gaan eerst naar de sleepboot, maar de Duitsers hebben geen interesse in boter en kaas. Dan varen de mannen langs de aak. De mannen tikken hun bootje bewust tegen het achterschip, zodat door het geluid (“boem”) niet hoorbaar is dat de bom onder water wordt vastgezet (“klik”).
Een aanslag
Zodra het donker wordt, verlaat het konvooi Meerkerk. Het wordt meteen duidelijk dat de vrijheidlievende kapitein niet meer aan het stuurwiel staat; iedere paal of obstakel wordt geraakt. Bruggen die te langzaam werden opengedraaid, werden open gevaren. Door al dat botsen kon er in het ruim niet geslapen worden.
Via de Lek ging de route naar Vreeswijk-Vianen en vervolgens de Vaartse Rijn op. Bij Jutphaas om 23.00 uur is het inmiddels pikkedonker en daar gaat het fout. Er is een harde knal gevolgd door een hevige schok, waarbij alles tegen elkaar wordt geworpen. De tjalk komt er goed vanaf. De lichter zinkt echter heel snel.
De paniek en consternatie is groot. In de wand van de lichter is een groot gat geslagen met een diameter van een meter. Het water stroomt hard naar binnen. Via de luiken naar buiten klimmen is moeilijk omdat die luiken zo hoog zitten ofwel het ruim zo diep is. Pas met een ladder erbij lukt het. De mannen helpen elkaar zoveel mogelijk. De tjalk wordt ijlings tussen de lichter en de wal gelegd, zodat de mannen via de tjalk de wal op kunnen. De Duitsers staan echter ook aan wal, zodat ontsnappen moeilijk is.
Velen staan nat of half nat in de novembernacht op de wal. Sommige mannen hebben zich voor de nacht half ontkleed of hun schoenen uitgedaan. De meeste bagage moet als verloren worden beschouwd. De man die tegen de wand lag waar het gat in het schip is geslagen, moet op slag dood zijn geweest, omdat zijn schedel is verbrijzeld.
Het grootste gedeelte van de opvarenden van de lichter brengt men naar een klooster in Jutphaas. Zo’n twintig man worden aan de tjalk toegevoegd. Hierdoor is er voor iedereen minder ruimte.
Op zondagmorgen komen de schepen in Maarssen aan. De tjalk wordt aangemeerd en iedereen moet eruit. De mannen moet ongeveer 1 kilometer lopen naar de lege hal van een zeepfabriek. Een aantal jongens was half gekleed of liep op blote voeten omdat zij kleding of schoenen kwijt waren geraakt in de lichter. De omwonenden brengen de mannen ook hier brood, broodbeleg en koffie. Maar ook warm middageten, erwtensoep en tabak.
Na de bevrijding wordt bekend dat er bij de aanslag 4 mannen zijn gedood. Drie van hen zijn Schiedammers: H.L. van Breukelen, P.C. van Steenoven en A. van der Velden. Het vierde slachtoffer is de Rotterdammer J. de Roode.
Treinramp op weg naar Duitsland
Op 10 november vertrekken duizenden tijdens de razzia opgepakte mannen met overvolle rijnaken naar Amsterdam. Een groot aantal vaart in de nacht van 11 op 12 november met marineschepen over het IJsselmeer naar Kampen. Van Kampen lopen ze naar kamp Wezep. Een week later moesten 1500 mannen vanuit Wezep weer verder: als dwangarbeider Duitsland in. Aan het einde van de avond op 19 november vertrekken ze vanaf het treinstation richting Bremen. De lange trein heeft in het midden wagons van hout en aan het begin en aan het einde van staal.
Kees Huissoon staat op het perron met zijn vriend Bep te kletsen, als deze ineens naar iemand zwaait. Hij zwaaide naar de schoenmaker uit de De la Reystraat. Samen lopen ze naar hem toe. “We waren elkaar net opgewekt aan het begroeten toe de wagons opengingen en we als vanzelfsprekend met de schoenmaker mee in zijn wagon drongen. Het duurde even voor alle wagons waren volgestouwd en de trein vertrok. We waren nog niet lang op weg of we weren door elkaar geschud met een enorme klap. Onze trein bleek op een andere te zijn gebotst. In een chaotische situatie moesten we de trein uit. Er werd geschreeuwd, veel mannen waren in paniek. De houten wagon, waar wij eigenlijk in hadden moeten zitten, was volledig in elkaar gedrukt. De meeste inzittenden waren dood.”

Het in 1841 opgerichte Peter Friedrich Ludwig Hospital in Oldenburg, waar veel Schiedammers naar toe werden gebracht, deed in 1944 nog dienst. Tegenwoordig is het een cultureel centrum. Foto: Wikimedia Commons
Tussen 1.00 en 2.00 uur komt de trein plotseling met veel lawaai tot stilstand. De trein is bij Bad Zwischenahn frontaal op een stilstaande trein gereden. De houten wagons zijn als een harmonica in elkaar geduwd. Er heerst een grote chaos: er zijn veel doden en gewonden. De gewonden schreeuwen van pijn of roepen om hulp. Hulp is snel ter plaatse. Het Rode Kruis biedt eerste hulp en transporteert zwaargewonden naar het Peter Friedrich-Ludwig ziekenhuis in Oldenburg en naar het Marinehospitaal in de bossen bij Hahn. Arbeiders van een nabij gelegen vliegveld zijn opgetrommeld om met een snijbrander mannen uit verwrongen wagons te halen. De NSDAP-frauenschaft zorgen voor koffie en brood.
Later wordt duidelijk dat bij deze treinramp 36 doden te betreuren zijn. Het zijn 32 Nederlanders en 4 Duitse spoorwegbeambten. Daarnaast zijn er 45 zwaargewonden en 21 licht gewonden. Als door een wonder zitten er tussen de 32 dodelijke Nederlandse slachtoffers slechts 2 Schiedammers: Joris Meerburg (19 jaar) en Martinus van der Sloot (32 jaar). Er waren 3 zwaargewonde Schiedammers Alosius van der Tuijn (32 jaar) en Henricus Willemse (17 jaar) en Johannes Willemse (26 jaar).
Ondanks het zware treinongeluk, dat een grote indruk op de mannen moet hebben achtergelaten, vertrekt de trein binnen een paar uur opnieuw om hen naar hun eindbestemming te brengen.
Ingestorte kelder in Düsseldorf
Op dinsdag 23 januari 1945 vielen tussen 11.10 en 11.32 ongeveer 200 explosieve bommen en 300 brandbommen op grote delen van Düsseldorf, waaronder ook Pempelfort. Honderden mensen zochten bescherming in de Franklinschool. Twee minuten voor het einde van de luchtaanval werd de school geraakt door een voltreffer. Het resultaat was 132 doden en veel gewonden. ’s Middags bij de bergingswerkzaamheden, stortte het plafond van de kelder in. Dit eiste in totaal nog eens 15 doden. Een aantal mensen dat in eerste instantie was gered, stierf alsnog in het ziekenhuis. Hierdoor kwam het trieste getal op 150 doden te staan.
Er waren 74 Duitsers gedood en 76 dwangarbeiders uit verschillende landen: Nederland, België, Italië, Frankrijk, Oekraïne, Rusland, Polen en Wit-Rusland. De 34 Nederlandse doden die onder het puin in de schuilkelder werden gevonden, waren allen razziaslachtoffers uit Rotterdam of Schiedam die als dwangarbeider in Düsseldorf werkten. Hun namen zijn allen bekend. Het jongste slachtoffer was 18 jaar, het oudste slachtoffer was 41 jaar. Onder de doden waren ook een aantal mannen die familie van elkaar waren.

Een schuilkelder in Düsseldorf die in de Tweede Wereldoorlog werd gebruikt. Tegenwoordig is het een museum en een herdenkingsplaats. Bron: Tracesofwar
Voor Schiedam betrof het 7 mannen die onder de school de dood vonden. Bernardus Bosman (29 jaar), Bernardus Heggelman (32 jaar), Karel Heggelman (22 jaar), Hendrik van den Hoek (37 jaar), Arnoldus van Logchem (28 jaar), Pieter van Logchem (25 jaar) en Franciscus van Loosbroek (19 jaar). De dwangarbeiders werkten als spoorwegarbeider. Van 18 dwangarbeiders is bekend dat ze waren gehuisvest in “Lager an der Schinkelstraβe”.
In de loop van 1946 zijn van alle Schiedammers overlijdensaktes gemaakt. De standaardformulering in de Schiedamse overlijdensakten luidt: “…ingeschreven een daartoe ontvangen uittreksel eener akte uit het overlijdensregister der gemeente Düsseldorf, Duitschland, waaruit blijkt dat aldaar op drie en twintig Januari van het vorige jaar te elf uur is overleden …”. De doden zijn begraven op het Nordfriedhof in Düsseldorf. Een aantal zijn terug naar Nederland gebracht en daar herbegraven. Deze ramp in Pempelfort in Düsseldorf staat niet op zichzelf. Vele Duitse steden zijn zwaar gebombardeerd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit heeft heel veel burgerslachtoffers gekost.
[*] Rapport, Lambertus Schuitman, 3 juni 1949, blz. 2