Ga direct naar: Zoeken | Hoofd-navigatie | Site-navigatie
U bevindt zich hier: Gemeente - Gemeentearchief - Publicaties - Boeken - Staken en Stempelen - Toespraak Henk Slechte
M. C. M. de Groot. Fotograaf onbekend, beeldnummer 11320.
337 keer gelezen
Op uw programma staat dat ik zal praten over stempelen, u weet wel wat de werklozen in de jaren '30 tweemaal per dag moesten doen om te voorkomen dat ze stiekem wat bijverdienden. In dit boek komt dat woord 34 keer voor. Ik zal het ook gebruiken, maar ga toch met wat anders beginnen. Omdat dit de presentatie van Staken en Stempelen is, ga ik proberen u te vertellen hoe het tot stand is gekomen. Een soort verantwoording dus, of de geschiedenis van het boek.
Vier jaar geleden vertelde gemeentearchivaris Laurens Priester mij dat in december 1902 in Schiedam de eerste gemeentelijke arbeidsbeurs in Nederland is opgericht en hij daaraan een symposium wilde wijden. Hij vroeg mij een boekje over die arbeidsbeurs te schrijven ter gelegenheid van dat symposium. Het onderwerp wond mij niet onmiddellijk op, totdat Laurens me de context uitlegde: het was niet toevallig dat juist in Schiedam die eerste Nederlandse arbeidsbeurs werd opgericht. In 1901 had minister van Binnenlandse zaken Abraham Kuyper alle gemeentebesturen een snel onderzoekje laten uitvoeren naar de werkloosheid in hun gemeente. Tot dan had men geen idee gehad van de omvang daarvan en na het onderzoek was dat inzicht nog steeds beperkt, maar was wel duidelijk geworden dat de werkloosheid in Schiedam opvallend hoog was en dat die het gevolg was van de teloorgang van de gedistilleerdindustrie. Het onderwerp bleek ook veel interessanter dan ik gedacht had, omdat het liberale en visionaire Schiedamse gemeenteraadslid M.C.M. de Groot, die zo belangrijk voor deze stad is geweest dat het gemeentebestuur naar hem een eervolle speld heeft genoemd, en die ook ondernemer in het gedistilleerd was, deze proef met een gemeentelijke arbeidsbeurs in de gemeenteraad had afgedwongen.
Er bleek dus zoveel boeiende historische context te zijn dat ik om was. Wat restte was de vorm, de inhoudelijke vorm bedoel ik dan. Mij leek een boekje over alleen die arbeidsbeurs geen goed idee. Dat was te smal voor een breed publiek en er was al eens een publicatie aan de arbeidsbeurs gewijd, geschreven door een archiefmedewerker die het functioneren van de beurs nog als raadslid had meegemaakt: Ben Kedde. En om dat nou over te doen leek me niet verstandig. Laurens Priester, zijn archiefcollega en redacteur van het Fonds Historische Publicaties Jef Jansen, en ik hebben toen een uurtje hardop gedacht en het concept bedacht, waarvan dit boek het resultaat is: een geschiedenis van werk en werkloosheid in Schiedam, van 1890 tot 1940.
De arbeidsbeurs heeft gefunctioneerd van 1902 tot de Tweede wereldoorlog. Dat is, vanuit sociaal- en economisch-historisch én vanuit praktisch oogpunt, een mooie afgeronde periode. De neergang van de gedistilleerdindustrie is omstreeks 1890 zichtbaar geworden en toen zijn ook de conjuncturele werkloosheid én het denken en praten over de aanpak daarvan begonnen, waarvan de arbeidsbeurs een van de resultaten was. Er is meer dat voor deze periode pleit. In de jaren '90 van de 19de eeuw is in Schiedam de (vak)organisatie van de arbeiders begonnen, wat, zeker in dit verband, belangrijk is. In 1890 tenslotte stopt het proefschrift van Heinz Schmitz uit 1962 over de economische en sociale geschiedenis van Schiedam in de tweede helft van de 19de eeuw. Voor Schmitz een logische datum, omdat dan een volstrekt nieuwe periode in die sociale en economische geschiedenis begint. En wat is dan mooier dan een vervolg op dat proefschrift te maken en daarmee de volgende afgeronde periode in de sociale geschiedenis in te vullen, dachten wij in onze eenvoud. Houd u dat laatste woord even vast.
We waren het snel eens. Er zou een bescheiden publicatie van zo'n 80 pagina's komen over de sociale geschiedenis van Schiedam van 1890 tot 1940, met de nadruk op de gemeentelijke arbeidsbemiddeling als instrument in de aanpak van de werkloosheid. Een serieuze historicus gaat dan een synopsis maken, als er tenminste genoeg literatuur voorhanden is en de beschikbaarheid en de inhoud van de relevante archiefbronnen bekend zijn. Die literatuur was er niet. Ik zie hier een paar belangrijke Schiedamse historici en ik haast me dus dat te nuanceren, voordat ik met pek en veren wordt weggejaagd, want er was natuurlijk wel wat, maar het was niet genoeg. Han van der Horst heeft de eerste 17 jaar van de Schiedamse SDAP in detail beschreven, Hans van der Sloot heeft een halve plank met (veelal gedenk)boeken geschreven over onderwerpen als de havens, de volkshuisvesting en Wilton Fijenoord, om er maar een paar te noemen, het onvolprezen blad Scyedam van de Historische Vereniging bestond al zo'n 25 jaar en had in die tijd veel, vaak korte artikelen gepubliceerd, het archief was bezig met het voltooien van de inventaris van het secretariearchief, en tenslotte was er de onvolprezen klapper op de twee lokale dagbladen die tussen 1890 en 1940 in Schiedam verschenen, de liberale Schiedamsche Courant en de r.k. Nieuwe Schiedamsche Courant.
Toch was voor het maken van een bruikbare synopsis (= breipatroon) te veel onbekend. Een van de weinige dingen die ik zeker wist was dat van de arbeidsbeurs geen archief over was, maar dat, verspreid over het secretariearchief en het archief van het kabinet van de burgemeester, veel gereconstrueerd moest kunnen worden. Ik heb dus maar gedaan, wat ik als kind mijn oma heb zien doen: ik ben een trui gaan breien zonder dat ik een patroon had, maar wel met een globaal idee van wat ik wilde en in het besef dat ik af en toe een stukje zou moeten uithalen. En zo is het precies gegaan.
Werkende- en onderzoekendeweg ontdekte ik ook wat ik wel wist, dat de geschiedenis van werk en werkloosheid niet te vertellen valt zonder een brede sociaal-historische context. Werk en werkloosheid zijn immer onafscheidelijk en over het concrete probleem van de werkloosheid werd binnen veel verschillende groepen in de Schiedamse samenleving diep nagedacht en veel gepraat. Alleen door inzicht te krijgen in die groepen bewogen burgers en de mensen in de vakbonden en de politiek, die er over dachten praatten, kon ik die geschiedenis in een fatsoenlijke structuur krijgen. Een probleem was wel dat over de meeste van die groepen nog nooit iets was geschreven. Ik noem maar een paar van de allervroegste uit de periode 1890-1900. U vindt ze allemaal terug in het boek, soms uitgebreid in een tekstbijlage met een encyclopedisch karakter, omdat ze inmiddels helemaal onbekend zijn, zoals de Vereniging Voor Armenzorg en Tegen Bedelarij, een vereniging van deftige en oprecht bewogen burgers, die veel socialer was dan de naam doet vermoeden. Bekender maar ook – vrijwel - onbeschreven zijn het Departement Schiedam van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, waarin – alweer - M.C.M. de Groot een hoofdrol speelde, het Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond, dat ik gemakshalve maar de eerste echte – overigens liberale - vakcentrale in Nederland en ook in Schiedam noem, de R.K. Volksbond, die in Schiedam al vroeg aanhang had, de protestants christelijke vakcentrale Patrimonium, de uiteenlopende verenigingen van werkgevers in de gedistilleerd industrie, de kiesverenigingen, de voorlopers dus van de politieke partijen, en dan ben ik nog onvolledig. In de vroege 20ste eeuw kwamen daar nog bij de Schiedamsche Bestuurders Bond, de moderne (= socialistische) lokale vakcentrale, het syndicalistische (lees anarchistische) Nationale Arbeids Secretariaat dat voortdurend scheurde, en natuurlijk de jonge SDAP.
Ik moest om te kunnen schrijven over de aanpak van de werkloosheid door een gemeentelijke arbeidsbeurs ook weten hoe zich binnen de lokale politiek de gedachtevorming over de bemoeienis van de overheid met de werkloosheid ontwikkelde. En zo kan ik doorgaan. Wil je over de aanpak van de werkloosheid schrijven, dan moet je ook weten hoe de stad economisch in elkaar zit, want de economie bepaalt de werkloosheid, en dan moet je weten wat in een bijzondere stad als Schiedam de consequenties zijn van een economische monocultuur, zoals die hier al eeuwen heerste én wat er gebeurt als in zo’n monocultuur de hoofdindustrie wegvalt, die nu eenmaal de enige motor van de lokale economie is, en er een enorm economisch gat ontstaat. En zo gaat het door, want ook de tijd doet zijn werk in de geschiedenis. Zo stuit je dan op de, wat Schiedam betreft, onbeschreven Eerste Wereldoorlog en de grote invloed die die heeft gehad op de emancipatie van de arbeiders en de kijk op en de aanpak van de werkloosheid.
Ook al weet je dat die oorlog om zeer praktische redenen (n.l. het al dan niet krijgen van een uitkering) een zeer versnellende invloed heeft gehad op de organisatiegraad van de arbeiders en de professionalisering van de vakbeweging. Als Joop den Uyl toen had geleefd, zou hij na november 1918 waarschijnlijk hebben gezegd dat het nooit meer zo zou worden als vroeger en dat was ook zo. En tenslotte kun je een onderwerp dat zo nadrukkelijk gaat over mensen, alleen toegankelijk maken als je de hoofdpersonen een herkenbaar gezicht geeft en de arbeiders om wie en over wie het allemaal gaat, zo levendig mogelijk ten tonele voert. Kortom, na een jaar wist ik dat 80 pagina’s niet genoeg waren als ik een inzichtelijk boek wilde maken en dat het ook nog wel een paar jaar schrijven zou gaan kosten. Hoeveel pagina’s en hoe lang schrijven, ik wist het echt niet, maar het woord eenvoud was toch niet van toepassing. Gelukkig de auteur die dan een opdrachtgever heeft die dat snapt. En dus kreeg oma te horen: brei maar verder, de kwaliteit gaat voor.
En dat heb ik dus gedaan. Terugkijkend kan ik Laurens alleen maar dankbaar zijn. Bij de presentatie van de inventaris die Jef Jansen heeft gemaakt van het secretariearchief, vorig jaar in deze zelfde raadszaal, ben ik ingegaan op de immense rijkdom die zo’n archief blijkt te bevatten, als je gericht op zoek gaat én de problemen van zelfbeheersing waar je dan voor staat. Maar ja, in de beperking toont zich de meester, en ik heb heel veel dossiers ongebruikt terug moeten sturen. Ik zal mijn verhaal van toen niet herhalen, maar wil toch één voorbeeld kort noemen. Van 1908 tot 1923 hebben in Nederland en ook in Schiedam zogeheten Kamers van Arbeid gefunctioneerd. Die hadden een brede taak maar waren machteloos, want ze hadden geen sancties. Ze zijn dan ook geleidelijk van het toneel verdwenen, geruisloos en zonder een (archief)spoor achter te laten. Die kamers hadden twee taken die voor de historicus van nu van groot belang waren: het informeren van de regering over lokale werktijden, lonen en arbeidsvoorwaarden, want die verschilden per plaats, per bedrijfstak en zelfs per bedrijf, en het bemiddelen in arbeidsconflicten tussen patroons en werklieden. Dat laatste leidde zelden tot een oplossing, maar leverde wel dossiers op die nu een soms onthutsend inzicht geven in de verhouding tussen sommige Schiedamse patroons, wier familienamen nu nog met ontzag worden genoemd en naar wie straten zijn genoemd, en hun werklieden. Groot was mijn verbazing en nog groter mijn vreugde, toen een belangrijk deel van de archieven van de Schiedamse Kamers bewaard bleek en in tientallen dozen op een paar karretjes plechtig de studiezaal binnen werd gereden. De ordening was minimaal en dus was ook de vindbaarheid voor mijn specifieke wensen beperkt, maar desondanks springt je onderzoekershart op en maak je er het beste van. En zo zou ik nog wel een uurtje kunnen doorgaan. In Schiedam is de neiging om papier weg te gooien, ten stadhuize en ten archieve, kennelijk niet groot geweest, en dat is een zegen voor de historicus.
Ik wil dit verhaal afsluiten met een ervaring die je als auteur hebt, als je een boek schrijft dat in tijd en plaats beperkt is, in een betrekkelijk recent verleden speelt en ook nog heel nadrukkelijk over mensen gaat. Je leert die mensen soms kennen en je krijgt sympathieën en antipathieën die zich ook in je tekst nestelen. Dat is onvermijdelijk en ook niet erg, als je het maar beseft en als je maar zorgt dat het gepresteerde of juist niet gepresteerde met betrekking tot het onderwerp waarover het boek gaat, objectief wordt beschreven. Omdat hier vandaag ook kinderen en kleinkinderen van hoofd- en bijrolspelers in het boek aanwezig zijn, wil ik daar nog kort op ingaan. Ik noem zomaar een paar mensen en eindig dan met de twee hoofdrolspelers die hetzelfde doel nastreefden maar elkaars bloed wel konden drinken. Maar eerst een paar voorbeelden van personen in het boek, van wie naar mijn beste weten de nazaten nog in Schiedam wonen en hier zijn of kunnen zijn.
Bijvoorbeeld twee kibbelende socialisten van het eerste Schiedamse uur: de leraar in schrijven Koorengevel en de loswerkman Klepke. De kleindochter van de een is uitgenodigd en kan dus hier in de zaal zitten en de kleinzoon van de ander heeft net afscheid genomen als raadslid voor de PvdA. Koorengevel was secretaris van de jonge afdeling van de SDAP en schreef in 1902 het verslag van het eerste onderzoek dat de gemeente had laten doen naar de werkloosheid. Hij noemde die toen treffend, maar niet bepaald exact: ‘zo groot mogelijk’. Hij zat ook in het eerste bestuur van het Volkshuis van M.C.M. de Groot, waarover u in het boek kunt lezen. Zijn moeilijke karakter en zijn controversiële politieke activiteiten hebben zijn leven niet gemakkelijk gemaakt. Hij verdween al in 1905 van het politieke toneel. Eén anekdote wil ik u niet onthouden. Hij woonde aan de Korte Achterweg en weigerde op koninginnedag de vlag uit te hangen. Zijn koningsgezinde buren schilderden daarop zijn hele gevel oranje. U kunt meer over hem lezen in het boek van Han van der Horst over de eerste 17 jaar van de SDAP.
Een andere naam die in Schiedam lang een bekende klank heeft gehouden is Ingelse. De eerste grote staking in Schiedam die werd geleid door een vakbond, brak in 1896 - wonderlijk genoeg - niet uit in de jeneverindustrie, maar in de kaarsenfabriek Apollo en was ook niet georganiseerd door een Schiedamse vakbond, maar door Rotterdamse bootwerkers. De staking was gericht tegen hoofdopzichter of onderdirecteur L.W. Ingelse die door de stakingsleiding werd beschuldigd van veel, waaronder de toen beruchte gedwongen winkelnering. De staking haalde alle landelijke kranten en Ingelse werd als de grote boosdoener afgeschilderd. Als je een boek als dit schrijft, kan en mag zo’n man niet eendimensionaal blijven. Je gaat op zoek naar de echte waarheid, maar dat lukt niet altijd, en – helaas - ook niet in dit geval. Ik heb de staking uitgebreid beschreven en dus ook uitgebreid aandacht besteed aan de grieven tegen Ingelse. Dat kan natuurlijk niet anders als je over een staking schrijft.
Ik ben ook op zoek gegaan naar tegenargumenten; dat leverde inhoudelijk weinig op, maar menselijk wel. Zoon D.L. Ingelse deed in ingezonden stukken in de Schiedamsche Courant zijn uiterste best de aantijgingen tegen zijn vader te ontkrachten. Hij ging praten met arbeiders en leveranciers en zelfs met stakers en kwam tot de conclusie dat zijn vader niets te verwijten viel. Er is niets nieuws onder de zon, want ook toen hadden de media het gedaan. D.L. Ingelse liet in de krant weten dat hij het erg vond dat de kranten zo’n ‘braaf en eerlijk man’ in diskrediet hadden gebracht en loofde f 250 uit voor ieder bewijs van wangedrag van zijn vader en dat geld zou hij geven voor de ‘algemene armen in Schiedam’. En weet wel dat f 250 heel veel geld was, ongeveer de helft van het jaarsalaris van een onderwijzer. D.L. Ingelse was later directeur van de gelijknamige machinefabriek aan de Nieuwe Haven, waarvan de arbeiders in de Eerste Wereldoorlog wekelijks centen, stuivers en dubbeltjes van hun loon apart legden voor de Schiedamse gezinnen die slachtoffer van de oorlog waren. Hij was ook lid van het bestuur van de belangrijke Vereniging Schiedam Vooruit.
Voordat ik overstap naar mijn twee antagonisten, wil ik nog één speler op het toneel van staken en stempelen noemen, voor wie ik sympathie en belangstelling kreeg. Dat was Octavio Emilio Jung. Voor het hele verhaal moet ik naar het boek verwijzen, maar een tipje kan ik wel oplichten. Deze Jung kwam uit een familie van zelfbewuste glasblazers die op meer momenten in dit boek een boeiende rol spelen. Hij is in 1896 geboren in Livorno, vandaar waarschijnlijk zijn Italiaanse voornamen. Octavio Emilio is getrouwd geweest met Maria Collé, een jong gestorven zuster van Willem Collé, over wie direct meer, en heeft een poosje bij de familie Collé in de Mariastraat in huis gewoond. Hij is een typisch voorbeeld van iemand die tussen de wielen van de werkloosheid was terechtgekomen en hoorde in 1928 tot een van de eerste groepen Schiedamse werklozen die naar de werkverschaffing in Eenerveld vertrokken. Er was in rokerige zaaltjes al veel gemor en geknars van tanden over die werkverschaffing geweest, maar Jung had daar gezegd dat je eerst moest proberen verbeteringen te krijgen en dat je dan altijd nog kon gaan staken. De praktijk was weerbarstiger. Jung was nog maar een paar dagen aan het werk op de grens van Drente en Friesland of de vlam sloeg daar in de pan. Hij nam de leiding van en de verantwoordelijkheid voor de wilde staking en Schiedam was in last, Jung trouwens ook. Hij en de andere stakers werden naar Schiedam teruggestuurd en Jung werd als hoofdonruststoker voor altijd uitgesloten van de werkverschaffing en daarmee ook van de steun. Hem restte de bedeling in de vorm van voedsel. Geld was er niet meer bij. Het is allemaal goed gekomen, want in 1931 woonde hij aan de Rotterdamsedijk en was hij scheepsfitter. Als ik goed ben ingelicht woont zijn gelijknamige kleinzoon zo ongeveer tegenover het gemeentearchief en is die vanmiddag ook hier aanwezig. Jung biedt mij ook een brug naar twee hoofdpersonen uit mijn boek: Piet de Bruin en Jungs zwager Willem Collé. Piet de Bruin was een Schiedamse pionier van de SDAP. Zoon van een jong gestorven zakkendrager, was hij in 1907 het eerste lid van de gemeenteraad voor de SDAP. Dat lukte trouwens alleen maar dankzij de hulp van de liberalen van M.C.M. de Groot. Collé kwam vanuit Culemborg, via Vlaardingen, naar Schiedam en werd in de eerste verkiezing voor de gemeenteraad met algemeen kiesrecht gekozen voor de vrije socialistische partij van Harm Kolthek. Piet de Bruin bleek over grote organisatorische gaven te beschikken en bracht het aan het eind van de eerste wereldoorlog tot wethouder, moeizaam want de christelijke partijen wilden geen ‘rooie’ wethouder. De tijden zijn wel veranderd, of moet ik zeggen het tij is gekeerd. Willem Collé was de oprechte kampioen van de kanslozen, de arbeiders die geen lid waren van een erkende vakbond, om de haverklap werkloos werden en dan alleen op de armenzorg konden terugvallen.
Hij had een geheel eigen electoraat van ongeveer 1.000 kiezers, dat hem tot de tweede wereldoorlog bij iedere verkiezing met een of twee zetels in de raad bracht. Deze twee mannen hadden complementair kunnen zijn, omdat ze elk een belangrijk maar verschillend deel van de arbeidersbevolking vertegenwoordigden, maar ze waren te verschillend, hadden een hekel aan elkaar en zaten elkaar op iedere denkbare manier dwars, ook als het tegen de belangen van hun doelgroep indruiste. Elke vlieg die kon worden afgevangen, werd afgevangen. U vindt daarvan talloze voorbeelden in dit boek. Als je vier jaar met zo’n onderwerp bezig bent en steeds dezelfde voormannen tegenkomt, zoals deze twee, ga je, net als in het gewone leven, voor- en afkeuren ontwikkelen. Bij mij gebeurde dat ook. Ik zag Piet de Bruin steeds vaster in het pluche komen te zitten en een haast klassieke gouvernementele bestuurder, wij zeggen nu regent, worden, dus een wat zelfingenomen man met een zekere arrogantie, ook tegenover zijn eigen achterban, en weinig humor of reflectie. Iemand die ook niet meer echt luisterde, ook niet naar die eigen achterban. Willem Collé was een agitator en sociale activist, een beroepswerkloze met een intelligente en daadkrachtige vrouw die volop meedeed, en een gezin dat moest leven met ouders die iedere dag de touwtjes aan elkaar moesten knopen en desondanks doorgingen om hun ideaal te verwezenlijken, wat voor die kinderen niet gemakkelijk was. Willem Collé had gevoel voor humor, was origineel en empathisch, al ging dat wel een beetje verloren, toen hij communist werd en onder de vleugels van Kees Frenay (Schiedams Frenai?) terecht kwam. Ik merkte zo halverwege het schrijven dat bij alle kleine en grote pesterijen tussen de twee socialistische voormannen, en dat waren er nogal wat, mijn sympathie steeds vaker bij Willem Collé was dan bij Piet de Bruin. Ik moet echter wel toegeven, en dat heb ik natuurlijk ook uitgebreid opgeschreven dat Piet de Bruin in concreto veel meer voor de arbeiders heeft bereikt dan Willem Collé. Daar staat dan wel weer tegenover dat Willem als horzel in de pels van het college van B&W voortdurend zijn vinger opstak en zelfs een keer een asbak naar een SDAP’er gooide, van wie hij dacht dat hij hem nabouwde. Hij hield ze scherp en heeft ongetwijfeld voor heel veel leven in de politieke brouwerij van Schiedam gezorgd, en dat kon geen kwaad in de donkere eerste helft van de 20ste eeuw.
Dames en heren, ik zou door kunnen gaan over al die mensen die een rol hebben gespeeld in de periode die dit boek beschrijft. U hebt veel namen niet gehoord, zoals de drukker en uitgever Roelants die in 1896 de Schiedamsche Courant kocht en de sociaal en – liberaal - politiek en maatschappelijk actieve meesterknecht van de drukkerij Snel verbood nog langer maatschappelijk actief te zijn, een boeiend conflict dat door M.C.M. de Groot in de landelijke pers werd gebracht (en opgelost!), de gemeentedokter Geerdes die altijd moest komen opdraven als de dienders Willem Collé weer eens met de lange lat hadden bewerkt, de katholieke advocaat en bijna levenslange wethouder Van Velzen, de brander en distillateur Herman Jansen die ook directeur van een eigen glasfabriek (UTO) was, conservatief in hart en nieren en de gezworen vijand van de vakbond van glasarbeiders, maar ook een man met visie die wethouder Van Velzen na zijn overlijden zelfs heeft vergeleken met de Franse staatsman Clemenceau, bijgenaamd le Tigre, de socialistenhater en koekenbakker uit het Broersveld en katholiek lid van de gemeenteraad Smit, de protestantse vakbondsleider Van der Most, schoonvader van Ser Louis die de index op dit boek heeft gemaakt, de katholieke burgemeester Honnerlage Grete, conservatief tot in zijn tenen maar wel de ontdekker van Piet de Bruin, wat hem in eigen kring niet in dank is afgenomen, de bovenal slimme zo niet sluwe maar wel effectieve socialistische wethouder Jan Dinkelaar, en de directeuren van de arbeidsbeurs, onder wie hoofdinspecteur van politie Van Veen die als politieman tijdens stakingen en rellen hardhandig optrad en dus niet bepaald populair was bij de arbeiders, maar wel in 1931 directeur van de arbeidsbeurs werd en zo kan ik doorgaan, maar dat kunt u allemaal zelf lezen in Staken en Stempelen, een boek dat was bedoeld als bescheiden herinnering aan honderd jaar arbeidsbeurs, maar, in perfecte samenwerking met het gemeentearchief, uitgroeide tot een sociale geschiedenis van Schiedam van 1890 tot 1940.