U bevindt zich hier: Gemeente - Gemeentearchief - Actueel - Tentoonstellingen - De Wit - Zwevend zitten
95 keer gelezen
Schiedam had met de De Wit fabriek een eigen producent van stalen meubelen. De stalen meubelen vertegenwoordigen een belangrijk moment in de geschiedenis van de moderne architectuur en interieurinrichting. Een geschiedenis, waar Schiedam ook deel van uit maakt.
Ze zijn alom vertegenwoordigd op kantoren en velen nemen er iedere dag gedachteloos plaats op: de stalen buisstoel. Zo alledaags als de buizenstoel nu is, zo revolutionair was hij toen hij in 1927 voor het eerst getoond werd.
De eerste buizenstoel werd ontworpen door architect Mart Stam, in de ontstaansgeschiedenis van het stalen meubilair speelde Nederland dan ook een belangrijke rol. Nederland was in de Eerste Wereldoorlog neutraal gebleven. Er was wel een gebrek aan grondstoffen, maar de productiemiddelen, zoals fabrieken, hadden ongehavend de vier jaar doorstaan. De economische groei kon daarom snel op gang komen, wat onder meer leidde tot de oprichting in 1918 van de Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken te IJmuiden. Grote internationale bedrijven vormden de kurk waar de Nederlandse economie op dreef, maar er was een grote diversiteit aan kleine ondernemers en werkplaatsen. In deze kleinere bedrijven werd er voor het eerst geëxperimenteerd met het buigen van metalen buizen.*
Het nieuwe, metalen meubilair was nauw verbonden met de opkomst van de moderne architectuur. Beiden waren praktisch, onopgesmukt, hygiënisch en hadden een industriële uitstraling. De ontwerper van de eerste buizenstoel noemde het dan ook een machine á s’asseoir, een zitmachine. Uit de stoel sprak een levenshouding. Het ontwerp was comfortabel, maar nodigde niet uit tot ontspannen achterover hangen. Degene die in de stoel zat bleef oplettend, actief betrokken bij wat er om hem heen gebeurde.**
Het stalen meubilair kende een korte maar hevige bloeiperiode van 1925 tot 1940. Aanvankelijk bleef de populariteit van het metalen meubilair beperkt tot een select gezelschap. Hier kwam vanaf de jaren dertig verandering in, er stonden nieuwe ontwerpers op die de voorschriften van de modernistische architectuur loslieten. Waar de eerste stoelen een zekere gestrengheid uitstraalden kwamen nu modellen op de markt die beter aansloten bij de 'gezelligheid' die in veel huiskamers werd nagestreefd. Het stalen model werd bekleed met dikke, knusse kussens. Niet zozeer de esthetiek, maar het comfort stond nu voorop.***
De stoel zonder traditionele poten prikkelde de fantasie van ontwerpers en vaklieden. Architectuurhistoricus Otakar Macel geldt als een expert op het gebied van deze zitconstructie. Niet alleen promoveerde hij op het ontwerp van Mart Stams eerste freischwinger, hij voelde de behoefte om voor zijn dood een overzichtswerk van de stoelen te presenteren. Hij komt tot een verfijnd onderscheid in tafelstoelen met en zonder armleuningen, in het materiaal van de zitting en rugleuning en de buizen die vernikkeld, verchroomd, gelakt of gemoffeld kunnen zijn. In zijn lijvige catalogus is ook het werk van Theo de Wit vertegenwoordigd met vier stoelen. De werken van firma De Wit, en van vele andere producenten, behoren nu tot de moderne klassiekers.
* Tim Benton, Tubular Steel Furniture (Londen 1979) 28.
** idem, 9.
*** Otakar Macel, 2100 Metal Tubular Chairs. A typology (Rotterdam 2006) 13.